Chamaecyparis

De Chamaecyparis is geen onbekende: ze staan met duizenden naast villa’s en in tuinen als haag, net soldaatjes op een rij en bakenen donker de eigendom af. Meestal gebruikt men hiervoor de Chamaecyparis lawsonia.

Veel Chamaecyparissen groeien zuilvormig en sommige soorten hebben heel veel cultivars zodat het soms erg moeilijk is om ze te determineren.

Ze vertonen in hun blad kenmerken van de Juniperus en de Thuja. De rangschikking van het blad en tevens de takinplanting tegenover de stam zullen bepalen of een soort geschikt is voor bonsai of niet.

Soorten:

Chamaecyparis lawsonia

Californische cypres genoemd. Hij komt in Noord-Amerika voor langs de kusten van Oregon tot het Land van Eden, overal waar de grond en het klimaat vochtig genoeg is. Zeer winterhard. De best gekende en meest voorkomende soort met zeer veel cultivars. Het is deze soort die meestal als haag aangeplant wordt.

Bast

Jonge bomen glad en donker bruinachtig groen, oudere paarsbruin.

Kroon

Smal kegelvormig met hangende hoofdscheut, dicht, takken bijna van op de grond, meestal meerdere stammen. Takken groeien verticaal, de bladeren staan eveneens verticaal aan twee zijden van de tak. De bebladerde twijgen zijn hangend, alle even klein. Hoogte ruim 38 m. Harde groeier. Takken kunnen tot 80 cm per jaar groeien de eerste jaren, later 40 à 50 cm.

Gebladerte

Jonge takken dof roze- bruin tot paarsachtig. Bladeren schubvormig, doorschijnende klier in het midden, de uitgelopen takjes draadvormig en hangend. Gekneusd ruikt het blad naar hars en peterselie.

Bloemen en vruchten

Veel en van beide geslachten. Later houten kegels, 7 mm en bolvormig, paarsbruin, schubben gedraaid met kleine, middelste steker.

Er bestaan variëteiten met groen, blauwachtig, grijsgroen en geel loof.

Wegens zijn vrij eenzijdig, opgaande groei is hij voor bonsai niet geschikt en zelfs al zou het één enkele keer lukken er toch iets toonbaar van te maken, er zijn heel wat soorten die beter scoren. De Chamaecyparis lawsonia ‘Elwoodii’ wordt wel af en toe gebruikt voor groepen en in saikei. Hij wordt beschouwd als een dwergvorm, maar kan toch 8 m. hoog worden.

Het is echter een vrij karakterloze boom. Wel is de kleur aantrekkelijk en fris- tot grijsgroen.

Chamaecyparis pisifera

De Japanse ‘Sawara’. Winterhard. Wilde vorm weinig algemeen, wel veel cultivars. 20 x 2,5 m.

Bast

Diep kastanjebruin, evenwijdig lopende, dichte groeven. Later richels die grijsbruin kunnen zijn.

Kroon

Kegelvormig, vaak breed vertakte stam en open van structuur. Takken horizontaal, maar ook naar beneden gebogen en aan de voet soms liggend.

Gebladerte

Jonge takken dof roze-bruin, bladeren helder groen. Klein, plotseling naar binnen gebogen punt, dicht opeenstaande, afgeplatte takjes. Aan de onderzijde heeft elke schub een witte voet. De gekneusde bladeren hebben een zure, harsachtige geur.

Bloemen en kegels

Mannelijke bloemen erg klein, bleek bruin. Stuifmeel in april. Kegels dicht opeen staand, erwtvormig, bruin naarmate ze rijper worden. Tien schubben met een klein puntje in het midden.

Groei

Langzaam, circa 20 cm. per jaar.